Oefen spelling per regel: ei of ij, au of ou, d of t aan het eind, verdubbelen, verkleinwoorden en werkwoorden. Je hoort het woord, je typt het, en je ziet meteen of het goed is. Bij elke regel staat uitgelegd hoe het zit.
Welke spellingregels kun je oefenen?
- ei of ij en au of ou: woorden die je moet onthouden
- Eindletter d of t: maak het woord langer (hond, honden)
- Verdubbelen en verenkelen: bommen of bomen
- -cht aan het eind: nacht, licht, zacht
- -eeuw, -ieuw en -uw: leeuw, nieuw, duw
- Verkleinwoorden: -je, -tje, -pje, -etje en -kje
- De c als s of k: circus, cadeau
- Werkwoorden: tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoord
Zo werkt het
Kies een regel en klik op Start. De computer leest het woord voor, jij typt het in en drukt op Enter. Wil je het woord ook even zien? Vink dan Woord ook even laten zien aan. Na afloop zie je welke woorden fout gingen en kun je die opnieuw oefenen. Met Woordenlijst printen maak je er een dictee op papier van.
Veelgestelde vragen
Waarom zijn ei/ij en au/ou zo moeilijk?
Omdat je het verschil niet hoort. Er is geen regel die altijd werkt; deze woorden moet je onthouden. Herhalen helpt: hoe vaker een kind een woord goed schrijft, hoe sneller het een vast woordbeeld wordt.
Wat is 't kofschip?
Een ezelsbruggetje voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord. Eindigt de stam op een medeklinker uit ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan krijg je -te of -t. Anders -de of -d. Meer daarover lees je bij werkwoordspelling oefenen.
Meer oefenen
- Werkwoordspelling oefenen — tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord
- Dictee groep 3 — spellingwoorden voor groep 3
- Dictee groep 4 — spellingwoorden voor groep 4
- Dictee groep 5 — spellingwoorden voor groep 5
- Dictee groep 6 — spellingwoorden voor groep 6