Werkwoordspelling oefenen

Werkwoordspelling is voor veel kinderen het lastigste onderdeel van taal. Oefen hier met zinnen: vul de juiste vorm van het werkwoord in. Kies de tegenwoordige tijd, de verleden tijd of het voltooid deelwoord. Na elke zin zie je direct of het klopt.

De regels op een rij

Tegenwoordige tijd

Bij ik schrijf je alleen de stam: ik werk, ik word. Bij hij, zij en het komt er een t achter de stam, ook als de stam al op een d eindigt: hij wordt, zij vindt. Bij jij ook, behalve als jij áchter het werkwoord staat: jij werkt, maar werk jij?

Verleden tijd

Bekijk de laatste letter van de stam. Staat die in ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p)? Dan krijg je -te: werkte, fietste. Anders -de: speelde, bouwde. Let op bij werkwoorden met een v of z: leven wordt leefde, reizen wordt reisde. Kijk dan naar het hele werkwoord; de v en z staan niet in ’t kofschip.

Voltooid deelwoord

Meestal ge- + stam + t of d, en weer beslist ’t kofschip: gewerkt, gespeeld. Twijfel je over de laatste letter? Maak het woord langer: de gewerkte uren, de gespeelde wedstrijd. Begint het werkwoord met be-, ver-, ge-, ont- of her-? Dan komt er geen extra ge- voor: verhuisd, beantwoord.

In welke groep leer je werkwoordspelling?

Kinderen beginnen er meestal in groep 5 of 6 mee, met de tegenwoordige tijd. In groep 7 en 8 komen de verleden tijd en het voltooid deelwoord erbij. Ook in de brugklas blijft het een aandachtspunt, dus goed oefenen loont.

Meer oefenen