Expliciete directe instructie, kortweg het EDI-model, is een van de meest gebruikte lesmodellen in het Nederlandse basisonderwijs. De leerkracht doet voor, oefent samen met de klas en controleert steeds of iedereen het snapt, voordat leerlingen zelfstandig aan de slag gaan.
Wat is het EDI-model?
EDI staat voor Explicit Direct Instruction. Het model is uitgewerkt door de Amerikaanse onderwijsadviseurs John Hollingsworth en Silvia Ybarra, en werd in Nederland breed bekend via trainingen en boeken voor leerkrachten. De kern: de leerkracht maakt expliciet wát leerlingen leren en hóé ze dat doen, en laat zo weinig mogelijk aan het toeval over.
EDI bouwt voort op het directe instructiemodel dat veel scholen al kenden. Het belangrijkste verschil is de nadruk op het controleren van begrip. In een EDI-les stelt de leerkracht voortdurend vragen aan willekeurige leerlingen, zodat tijdens de les al zichtbaar wordt wie het snapt en wie niet.
De opbouw van een EDI-les
- Lesdoel: de leerkracht vertelt wat leerlingen aan het eind van de les kunnen, bijvoorbeeld: je kunt breuken met dezelfde noemer optellen.
- Activeren van voorkennis: een korte vraag of opdracht die aansluit bij wat leerlingen al weten.
- Uitleg van het concept: wat is het, en waarom is het belangrijk?
- Uitleg van de vaardigheid: de leerkracht doet hardop denkend voor hoe je een opgave aanpakt.
- Begeleide inoefening: leerlingen maken samen met de leerkracht opgaven, stap voor stap.
- Controle van begrip: gedurende de hele les checkt de leerkracht of iedereen het snapt, bijvoorbeeld met wisbordjes of door willekeurige leerlingen te vragen.
- Zelfstandige verwerking: pas als het grootste deel van de klas het beheerst (vaak wordt 80 procent als richtlijn genoemd), gaan leerlingen zelf aan de slag. Wie het nog niet snapt, krijgt verlengde instructie aan de instructietafel.
- Terugblik: aan het eind komt het lesdoel terug. Is het gelukt?
In de praktijk wordt dit vaak samengevat als: ik doe het voor, wij doen het samen, jij doet het zelf.
Waarom werkt het?
EDI sluit aan bij wat we weten over het werkgeheugen. Dat kan maar een beperkte hoeveelheid nieuwe informatie tegelijk verwerken. Wie een nieuwe vaardigheid zelf moet uitvinden, raakt snel overbelast. Door stap voor stap voor te doen en samen te oefenen, blijft er ruimte over om echt te leren. Dit idee komt uit de cognitieve belastingstheorie van onder anderen John Sweller.
Ook de bekende instructieprincipes van Barak Rosenshine sluiten hierop aan: begin met een korte herhaling, bied nieuwe stof in kleine stappen aan, stel veel vragen, en zorg voor veel begeleide oefening voordat leerlingen zelfstandig werken.
Kritiek en valkuilen
EDI is geen wondermiddel. Critici vinden het model soms te schools en te sterk gericht op de leerkracht, met weinig ruimte voor ontdekken en samenwerken. Het werkt vooral goed bij het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden, zoals rekenstrategieën of spellingregels. Bij open opdrachten, projecten of creatieve vakken passen andere werkvormen soms beter.
Een andere valkuil is dat de controle van begrip een formaliteit wordt. Wie alleen de vingers ziet die omhooggaan, mist juist de leerlingen die het niet snappen. Daarom werkt EDI met willekeurige beurten, bijvoorbeeld met ijslollystokjes met namen erop.
Tip voor ouders: werkt de school van je kind met EDI, houd thuis dan dezelfde volgorde aan. Doe eerst samen een som, laat je kind dan hardop vertellen hoe het de volgende aanpakt, en laat het pas daarna zelfstandig oefenen.
Oefenmateriaal voor de verwerking: op Leermiddelenplein maak je voor elke groep een rekenwerkblad met antwoordblad. Handig voor de zelfstandige verwerking of de verlengde instructie.
Meer over didactiek
Binnenkort meer artikelen in deze categorie.