Auteur: Redactie

  • Taaljacht in het basisonderwijs: werkwijze, scholen en ervaringen

    Taaljacht in het basisonderwijs: werkwijze, scholen en ervaringen

    Taaljacht is een actieve en thematische methode voor taal, spelling en grammatica in groep 3 tot en met 8 van het basisonderwijs, uitgegeven door Uitgeverij Zwijsen. De methode vervangt losstaande taallessen door een geïntegreerde aanpak, waarbij leerlingen via actieve, coöperatieve werkvormen en betekenisvolle thema’s aan hun taalvaardigheid werken.

    Hoe werkt de methode in de praktijk?

    Binnen Taaljacht is een schooljaar opgebouwd uit vijf grote thema’s van elk zes weken. Voorbeelden van zulke thema’s zijn ‘Reis mee!’ in groep 5 of ‘Spannend!’ in groep 7. Binnen deze thema’s worden de zes domeinen (spreken, luisteren, schrijven, woordenschat, grammatica en spelling) in samenhang aangeboden. Dit betekent dat een spellingregel die in de ochtend is geleerd, ’s middags direct wordt toegepast in een zelfgeschreven tekst over het lopende thema.

    De lessen maken veelvuldig gebruik van actieve en coöperatieve werkvormen om de stof te verwerken. Concrete voorbeelden hiervan zijn:

    • Wandel-wissel-uit: Leerlingen lopen door het klaslokaal met een kaartje waarop een woord of grammaticale term staat. Ze zoeken een klasgenoot, leggen elkaar het begrip uit en wisselen vervolgens van kaartje om een nieuwe partner te zoeken.
    • Spellingestafette: Een actieve vorm van bewegend leren waarbij leerlingen in estafettevorm naar de overkant van het lokaal of schoolplein rennen om een woord in de juiste spellingscategorie in te delen.
    • Taalverkennen: Leerlingen gaan zelfstandig of in tweetallen op onderzoek uit. Ze zoeken bijvoorbeeld in tijdschriften naar lidwoorden en zelfstandige naamwoorden om zo de grammaticaregels inductief te ontdekken.

    Welke scholen gebruiken Taaljacht?

    Taaljacht wordt op honderden basisscholen in Nederland en Vlaanderen gebruikt. De methode is met name populair binnen de volgende schooltypes:

    • Reguliere basisscholen: Veel reguliere scholen die voorheen werkten met traditionele methodes zoals Taal actief 4 stappen over op Taaljacht om meer samenhang in hun taalonderwijs te brengen en de motivatie van leerlingen te verhogen.
    • Vernieuwingsonderwijs (Dalton en Jenaplan): Omdat Taaljacht veel nadruk legt op samenwerken, zelfstandig plannen en reflecteren op het eigen werk, sluit de methode aan bij de principes van Dalton- en Jenaplanscholen.
    • Scholen met een doorgaande lijn vanaf groep 3: Scholen die in groep 3 al werken met de methode Veilig leren lezen (eveneens van Zwijsen) kiezen vaak voor Taaljacht in groep 4 tot en met 8, omdat de didactiek en de spellingcategorieën hier nauwkeurig op aansluiten.

    Praktijkervaringen van leerkrachten

    De ervaringen van leerkrachten die met Taaljacht werken, laten een aantal duidelijke patronen zien:

    Positieve ervaringen: Leerkrachten merken dat de betrokkenheid van leerlingen stijgt. Waar spelling en grammatica voorheen vaak als droog werden ervaren, zorgen de actieve werkvormen ervoor dat leerlingen enthousiaster meedoen. Ook het functioneel schrijven — zoals het schrijven van een echte brief of handleiding binnen het thema — levert kwalitatief betere teksten op dan traditionele invuloefeningen.

    Knelpunten en uitdagingen: Het actieve karakter van de methode vraagt om strak klassenmanagement. Verschillende leerkrachten geven aan dat het in het begin zoeken is naar de juiste balans tussen beweging en rust in de klas. Daarnaast kost het nakijken van de open schrijftaken meer tijd dan het snel controleren van een traditioneel invulwerkboek. Tot slot vereist de methode dat leerkrachten in de voorbereiding keuzes durven te maken uit het rijke aanbod, om te voorkomen dat het programma te vol raakt.

    Veelgestelde vragen over Taaljacht

    Voor welke groepen is Taaljacht geschikt?

    De methode is ontwikkeld voor de groepen 3 tot en met 8 van het basisonderwijs, waarbij de spellinglijn in groep 4 naadloos aansluit op de methode Veilig leren lezen uit groep 3.

    Is de methode volledig digitaal of op papier?

    Het is een blended methode. Leerlingen werken in fysieke werkboeken of op papier voor de schrijftaken, terwijl de instructie en een deel van de verwerking (zoals de spellingsoftware) digitaal via de leerkrachtsoftware en leerlingsoftware van Zwijsen verlopen.

    Hoeveel tijd kost de voorbereiding voor een leerkracht?

    In de opstartfase vraagt Taaljacht meer voorbereidingstijd dan een traditionele methode, omdat leerkrachten de actieve werkvormen (zoals Wandel-wissel-uit) moeten klaarzetten en het klassenmanagement moeten afstemmen. Naarmate de routines erin slijten, neemt de voorbereidingstijd af.

    Welke scholen kiezen voor Taaljacht?

    Vooral reguliere basisscholen die actiever en thematischer willen lesgeven, en vernieuwingsscholen (zoals Dalton en Jenaplan) die de nadruk leggen op zelfstandigheid en coöperatief leren, kiezen voor deze methode.

  • Lesmethode kiezen: stappenplan voor scholen

    Kennisbank Leermiddelen

    Een nieuwe lesmethode kiezen is een grote beslissing. Een methode gaat vaak acht jaar of langer mee, bepaalt voor een groot deel hoe er les wordt gegeven en kost een flink bedrag. Met dit stappenplan maak je een bewuste keuze.

    Stap 1: begin bij je visie, niet bij de methode

    Het is verleidelijk om meteen folders en proefpakketten te bekijken. Begin toch eerst bij de vraag wat je als school wilt. Welke rol speelt instructie? Hoeveel ruimte is er voor differentiatie? Hoe kijk je naar digitaal werken? Een methode die niet past bij de manier waarop jullie lesgeven, wordt al snel maar half gebruikt.

    Stap 2: stel een werkgroep samen

    Leg de keuze niet bij één persoon. Een werkgroep met leerkrachten uit de onder-, midden- en bovenbouw, eventueel aangevuld met de intern begeleider, zorgt voor draagvlak en voor een blik op de hele leerlijn.

    Stap 3: evalueer de huidige methode

    Wat werkt goed aan de methode die je nu gebruikt, en wat mis je? Kijk ook naar de resultaten van je leerlingen: op welke onderdelen scoren ze zwakker? Zo ontstaat een lijst met eisen waarop je nieuwe methodes kunt beoordelen.

    Stap 4: vergelijk methodes op vaste criteria

    • Aansluiting op de kerndoelen: dekt de methode de leerstof die leerlingen moeten beheersen? De kerndoelen worden vernieuwd, dus vraag uitgevers hoe hun methode daarop inspeelt.
    • Didactiek: past de opbouw van de lessen bij jullie instructiemodel, bijvoorbeeld het EDI-model?
    • Differentiatie: hoe worden sterke en zwakke leerlingen bediend?
    • Papier en digitaal: wat is de verhouding, en werkt de software goed op jullie apparaten?
    • Toetsen en volgen: welke toetsen horen erbij, en hoe zie je de voortgang van leerlingen?
    • Kosten: reken met de totale kosten over de hele looptijd, inclusief licenties en verbruiksmateriaal.
    • Ondersteuning: biedt de uitgever begeleiding bij de invoering of scholing voor het team?

    Met de vergelijker hieronder scoor je de methodes die jullie bekijken op deze criteria. Geef per criterium aan hoe zwaar het voor jullie school weegt.

    Stap 5: probeer uit in de klas

    Vraag zichtzendingen aan en probeer een aantal lessen uit in verschillende groepen. Een methode kan er op papier goed uitzien, maar pas in de klas merk je of de uitleg aansluit en of leerlingen er zelfstandig mee uit de voeten kunnen. Spreek vooraf af waar je op let, zodat de ervaringen te vergelijken zijn.

    Stap 6: besluit en plan de invoering

    Neem het besluit met het hele team en plan de invoering zorgvuldig. Begin je in alle groepen tegelijk, of groeit de methode mee met de leerlingen? Plan ook tijd voor scholing en een evaluatiemoment na het eerste jaar.

    Methode of methodeloos? Sommige scholen werken zonder vaste methode en stellen zelf materiaal samen rond leerdoelen. Dat geeft vrijheid, maar vraagt veel tijd en kennis van het team. Voor de meeste scholen is een goede methode, aangevuld met los materiaal, de praktische middenweg.

    Aanvullend oefenmateriaal nodig? Op Leermiddelenplein maak je gratis werkbladen per groep en oefenen leerlingen online met tafels en spelling. Handig als aanvulling op elke methode.

    Meer over leermiddelen

  • EDI-model: expliciete directe instructie uitgelegd

    Kennisbank Didactiek

    Expliciete directe instructie, kortweg het EDI-model, is een van de meest gebruikte lesmodellen in het Nederlandse basisonderwijs. De leerkracht doet voor, oefent samen met de klas en controleert steeds of iedereen het snapt, voordat leerlingen zelfstandig aan de slag gaan.

    Wat is het EDI-model?

    EDI staat voor Explicit Direct Instruction. Het model is uitgewerkt door de Amerikaanse onderwijsadviseurs John Hollingsworth en Silvia Ybarra, en werd in Nederland breed bekend via trainingen en boeken voor leerkrachten. De kern: de leerkracht maakt expliciet wát leerlingen leren en hóé ze dat doen, en laat zo weinig mogelijk aan het toeval over.

    EDI bouwt voort op het directe instructiemodel dat veel scholen al kenden. Het belangrijkste verschil is de nadruk op het controleren van begrip. In een EDI-les stelt de leerkracht voortdurend vragen aan willekeurige leerlingen, zodat tijdens de les al zichtbaar wordt wie het snapt en wie niet.

    De opbouw van een EDI-les

    1. Lesdoel: de leerkracht vertelt wat leerlingen aan het eind van de les kunnen, bijvoorbeeld: je kunt breuken met dezelfde noemer optellen.
    2. Activeren van voorkennis: een korte vraag of opdracht die aansluit bij wat leerlingen al weten.
    3. Uitleg van het concept: wat is het, en waarom is het belangrijk?
    4. Uitleg van de vaardigheid: de leerkracht doet hardop denkend voor hoe je een opgave aanpakt.
    5. Begeleide inoefening: leerlingen maken samen met de leerkracht opgaven, stap voor stap.
    6. Controle van begrip: gedurende de hele les checkt de leerkracht of iedereen het snapt, bijvoorbeeld met wisbordjes of door willekeurige leerlingen te vragen.
    7. Zelfstandige verwerking: pas als het grootste deel van de klas het beheerst (vaak wordt 80 procent als richtlijn genoemd), gaan leerlingen zelf aan de slag. Wie het nog niet snapt, krijgt verlengde instructie aan de instructietafel.
    8. Terugblik: aan het eind komt het lesdoel terug. Is het gelukt?

    In de praktijk wordt dit vaak samengevat als: ik doe het voor, wij doen het samen, jij doet het zelf.

    Waarom werkt het?

    EDI sluit aan bij wat we weten over het werkgeheugen. Dat kan maar een beperkte hoeveelheid nieuwe informatie tegelijk verwerken. Wie een nieuwe vaardigheid zelf moet uitvinden, raakt snel overbelast. Door stap voor stap voor te doen en samen te oefenen, blijft er ruimte over om echt te leren. Dit idee komt uit de cognitieve belastingstheorie van onder anderen John Sweller.

    Ook de bekende instructieprincipes van Barak Rosenshine sluiten hierop aan: begin met een korte herhaling, bied nieuwe stof in kleine stappen aan, stel veel vragen, en zorg voor veel begeleide oefening voordat leerlingen zelfstandig werken.

    Kritiek en valkuilen

    EDI is geen wondermiddel. Critici vinden het model soms te schools en te sterk gericht op de leerkracht, met weinig ruimte voor ontdekken en samenwerken. Het werkt vooral goed bij het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden, zoals rekenstrategieën of spellingregels. Bij open opdrachten, projecten of creatieve vakken passen andere werkvormen soms beter.

    Een andere valkuil is dat de controle van begrip een formaliteit wordt. Wie alleen de vingers ziet die omhooggaan, mist juist de leerlingen die het niet snappen. Daarom werkt EDI met willekeurige beurten, bijvoorbeeld met ijslollystokjes met namen erop.

    Tip voor ouders: werkt de school van je kind met EDI, houd thuis dan dezelfde volgorde aan. Doe eerst samen een som, laat je kind dan hardop vertellen hoe het de volgende aanpakt, en laat het pas daarna zelfstandig oefenen.

    Oefenmateriaal voor de verwerking: op Leermiddelenplein maak je voor elke groep een rekenwerkblad met antwoordblad. Handig voor de zelfstandige verwerking of de verlengde instructie.

    Meer over didactiek

    Binnenkort meer artikelen in deze categorie.

  • Active recall: slimmer leren door jezelf te overhoren

    Kennisbank Leren

    Active recall betekent dat je informatie actief uit je geheugen ophaalt, in plaats van het nog eens te lezen. Het is een van de best onderzochte manieren van leren, en het werkt al vanaf de basisschool.

    Wat is active recall?

    Bij active recall, in het Nederlands ook wel actief ophalen, dwing je jezelf om iets te herinneren zonder dat je het voor je ziet. Je leest een bladzijde, klapt het boek dicht en vertelt wat je nog weet. Of je beantwoordt een vraag voordat je het antwoord opzoekt. In onderzoek heet dit retrieval practice.

    Het idee is simpel: elke keer dat je iets uit je geheugen ophaalt, wordt dat geheugenspoor sterker. Opnieuw lezen doet dat veel minder, omdat je hersenen de informatie dan alleen herkennen. En herkennen voelt als kennen, maar is het niet.

    Wat zegt onderzoek?

    Het effect staat bekend als het testeffect. In een veelgeciteerde studie van Roediger en Karpicke (2006) lazen studenten een tekst. De ene groep las hem daarna nog een keer, de andere groep schreef op wat ze zich herinnerden. Vlak na afloop deed de herleesgroep het iets beter. Maar een week later onthield de groep die had geoefend met ophalen duidelijk meer.

    Een grote overzichtsstudie van Dunlosky en collega’s (2013) vergeleek tien populaire leerstrategieën. Oefentoetsen en gespreid herhalen kwamen als meest effectief uit de bus. Herlezen, markeren en samenvatten scoorden laag. Dat zijn juist de strategieën die veel leerlingen het vaakst gebruiken.

    Active recall en gespreide herhaling

    Active recall werkt het best in combinatie met gespreide herhaling, in het Engels spaced repetition. Je oefent dan niet alles op één avond, maar verspreid over meerdere dagen, met steeds wat meer tijd ertussen. Net als je iets bijna vergeten bent, haal je het weer op. Dat kost moeite, en juist die moeite zorgt ervoor dat het beter blijft hangen.

    Zo pas je active recall toe

    • Flashcards: vraag aan de voorkant, antwoord aan de achterkant. Kijk pas als je zelf een antwoord hebt bedacht.
    • De lege-bladmethode: schrijf na het leren op een leeg vel alles op wat je nog weet. Vergelijk daarna met de stof en vul aan wat ontbrak.
    • Uitleggen aan een ander: leg de stof uit aan een ouder, broertje of klasgenoot, zonder in het boek te kijken.
    • Oefentoetsen: maak zelf vragen van de stof, of gebruik de vragen achter in het hoofdstuk, en beantwoord ze zonder hulp.
    • Kort overhoren: een paar vragen aan het begin van de les over de stof van vorige week.

    Active recall op de basisschool

    Active recall klinkt als iets voor studenten, maar kinderen doen het al jaren. Wie de tafels oefent door de sommen uit het hoofd te beantwoorden, oefent met ophalen. Hetzelfde geldt voor een dictee of een topografietoets. Het verschil zit in de manier van oefenen: een tafelrijtje overschrijven is herhalen, een tafelsom beantwoorden is ophalen.

    Een tip voor ouders: vraag na schooltijd niet alleen hoe het was, maar laat je kind vertellen wat het vandaag heeft geleerd. Ook dat is ophalen.

    Fouten maken hoort erbij. Bij active recall weet je niet altijd het antwoord, en dat is prima, zolang je daarna het goede antwoord bekijkt. Juist de sommen of woorden die fout gingen, zijn degene die je het meest moet oefenen.

    Veelgemaakte fouten

    • Te snel het antwoord bekijken. Geef jezelf eerst echt de tijd om na te denken.
    • Alleen de makkelijke vragen oefenen. Dat voelt goed, maar je leert het meest van wat je nog niet goed weet.
    • Alles op de laatste avond doen. Stampen werkt voor de toets van morgen, maar niet voor over een maand.

    Zelf oefenen met ophalen? De tafeltrainer, het dictee en spelling oefenen op Leermiddelenplein zijn gebouwd rond active recall: je beantwoordt eerst zelf, en herhaalt daarna alleen wat fout ging.

    Meer over leren

    Binnenkort meer artikelen in deze categorie.