Werkblad werkwoordspelling

Maak een werkblad werkwoordspelling en print het als PDF. Kies de tegenwoordige tijd, de verleden tijd, het voltooid deelwoord of alles door elkaar. De regel staat bovenaan het werkblad en het antwoordblad komt op een aparte pagina.

De regels in het kort

Tegenwoordige tijd

Bij ik schrijf je de stam: ik werk, ik word. Bij hij, zij en het komt er een t achter: hij werkt, hij wordt. Bij jij ook, behalve als jij achter het werkwoord staat: jij wordt, maar word jij?

Verleden tijd

Eindigt de stam op een letter uit ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p)? Dan komt er -te(n) achter: werkte, fietste. Anders wordt het -de(n): speelde, woonde. Let op: bij leven en verven kijk je naar de v, en die zit niet in ’t kofschip. Dus: leefde, verfde.

Voltooid deelwoord

ge- + stam + t of d, en weer beslist ’t kofschip: gewerkt, gespeeld. Twijfel je? Maak het woord langer: de gewerkte uren, de gespeelde wedstrijd. Begint het werkwoord met be-, ver-, ge-, ont- of her-, dan komt er geen extra ge- voor: verhuisd, bezorgd.

Zo gebruik je het werkblad

  • Kies eerst één tijd tegelijk. Pas als die goed gaat, is alles door elkaar een goede toets.
  • Laat bij elke zin hardop de regel zeggen: het is verleden tijd, de stam is werk, k zit in ’t kofschip, dus -te.
  • Kijk samen na met het antwoordblad en bespreek vooral de fouten.
  • Liever online oefenen, met directe feedback? Dat kan bij werkwoordspelling oefenen.

Veelgestelde vragen

In welke groep leer je werkwoordspelling?

De tegenwoordige tijd komt meestal in groep 5 of 6. De verleden tijd en het voltooid deelwoord volgen in groep 6, 7 en 8.

Zijn sterke werkwoorden ook opgenomen?

Nee. De werkbladen oefenen de regels, en die gelden voor zwakke werkwoorden. Sterke werkwoorden zoals lopen → liep en zwemmen → zwom moet je uit je hoofd leren.

Meer oefenen