Maak een werkblad woordsoorten om te printen, of oefen online door de juiste woorden in een zin aan te klikken. Er zijn drie niveaus: van lidwoord, zelfstandig naamwoord en werkwoord in groep 4 tot voornaamwoorden, voorzetsels en telwoorden in groep 7 en 8.
De woordsoorten op een rij
- Lidwoord (lw): de, het, een.
- Zelfstandig naamwoord (zn): een mens, dier, ding of naam. Test: kun je er de, het of een voor zetten? De hond, het boek, Emma.
- Werkwoord (ww): wat iemand doet of wat er gebeurt. Test: verandert het woord als je de zin in de verleden tijd zet? Hij loopt, hij liep.
- Bijvoeglijk naamwoord (bn): zegt iets over een zelfstandig naamwoord. De grote hond, het boek is spannend.
- Persoonlijk voornaamwoord (vnw): staat in plaats van een naam. Ik, jij, hij, zij, wij, jullie, ons, haar.
- Voorzetsel (vz): geeft vaak een plaats of richting aan. In, op, onder, naar, met, door.
- Telwoord (tw): een aantal of een volgorde. Drie, tien, eerste.
Zo werkt het werkblad
Op het werkblad staan zinnen met onder elk woord een lijntje. Daar schrijft je kind de afkorting van de woordsoort. Woorden die niet bij het gekozen niveau horen, krijgen een x. Het antwoordblad staat op een aparte pagina, zodat je het werkblad ook als toets kunt gebruiken.
Tip: begin met het zoeken van de werkwoorden. Die zijn het makkelijkst te vinden met de tijdtest, en daarna valt de rest van de zin vaak vanzelf op zijn plek.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen woordsoorten en zinsdelen?
Bij woordsoorten kijk je naar elk woord apart: is het een zelfstandig naamwoord of een werkwoord? Bij zinsdelen, zoals onderwerp en persoonsvorm, kijk je naar de functie van een woord of woordgroep in de zin. Woordsoorten komen meestal eerst.
Is een naam ook een zelfstandig naamwoord?
Ja. Namen zoals Emma, Utrecht of Nederland zijn eigennamen, en die horen bij de zelfstandige naamwoorden.