Oefen keersommen online of print een werkblad met antwoordblad. Van de tafels tot grote keersommen: keer 10 en 100, sommen met nullen, 2 cijfers keer 1 cijfer, cijferend vermenigvuldigen en kommagetallen.
Soorten keersommen
- Tafels: de basis. Alles hieronder bouwt erop voort. Oefen ze per tafel, zoals de tafel van 6, of door elkaar.
- Keer 10, 100 en 1000: er komen nullen achter. 23 × 100 = 2300.
- Sommen met nullen: reken eerst zonder nullen en zet ze er daarna weer achter. 30 × 40: 3 × 4 = 12, twee nullen erachter: 1200.
- 2 cijfers keer 1 cijfer: splits het grote getal. 23 × 4 = 20 × 4 + 3 × 4 = 80 + 12 = 92.
- 2 cijfers keer 2 cijfers: meestal cijferend, onder elkaar.
- Kommagetallen: reken zonder komma en zet hem daarna terug. 2,5 × 4 = 25 × 4 = 100, dus 10,0.
Handige strategieën
- Omdraaien: 4 × 23 is hetzelfde als 23 × 4. Kies de volgorde die het makkelijkst rekent.
- Verdubbelen en halveren: 25 × 16 = 50 × 8 = 100 × 4 = 400.
- Via 10: 9 × 17 = 10 × 17 − 17 = 170 − 17 = 153.
- Schatten: reken eerst ongeveer uit. 48 × 6 is ongeveer 50 × 6 = 300. Zo zie je snel of je antwoord kan kloppen.
Keersommen per groep
In groep 4 beginnen kinderen met de tafels, in groep 5 volgen keer 10 en 100 en de eerste grotere keersommen. Cijferend vermenigvuldigen komt meestal in groep 6. In groep 7 en 8 worden keersommen gecombineerd met kommagetallen en in redactiesommen.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een keersom en een vermenigvuldiging?
Er is geen verschil: keersom is het woord dat op de basisschool wordt gebruikt voor een vermenigvuldiging.
Waarom moet ik eerst de tafels kennen?
Elke grote keersom bestaat uit kleine stukjes, en dat zijn tafelsommen. Wie 7 × 8 moet uittellen, raakt bij 47 × 8 de draad kwijt. Oefen de tafels daarom eerst tot ze vlot gaan.