Dt oefenen: d, t of dt?

Oefen d, t of dt met korte zinnen: kies wat er op de lege plek hoort en zie meteen of het goed is. Bij een fout zie je de regel nog een keer. Liever op papier? Print een werkblad met antwoordblad.

De regel

Bij hij, zij en het komt er een t achter de stam: hij wordt, zij vindt. Bij ik schrijf je alleen de stam: ik word. Bij jij komt er ook een t, behalve als jij achter het werkwoord staat: jij wordt, maar word jij?

Voorbeeldwoorden

wordt, word, vindt, vind, rijdt, houdt, houd, antwoordt, antwoord, heet, zet, laat, laadt, gebeurt, gebeurd.

Tip: Vervang het werkwoord door lopen. Hoor je een t (hij loopt)? Dan komt er ook bij het andere werkwoord een t achter de stam: hij wordt. Hoor je geen t (ik loop, loop jij)? Dan ook niet: ik word, word jij.

In welke groep oefen je dit?

Deze spellingcategorie komt meestal aan bod in groep 6, 7 en 8. Daarna komt hij steeds terug in dictees en in het schrijven van teksten, dus blijf hem af en toe herhalen.

Veelgestelde vragen

Wat is de loop-regel?

Een ezelsbruggetje voor de tegenwoordige tijd. Zet in de zin het werkwoord lopen in plaats van het lastige werkwoord. Hoor je dan loopt, dan schrijf je stam + t (wordt, vindt). Hoor je loop, dan alleen de stam (word, vind).

Meer spelling oefenen