Oefen lange en korte klank met korte zinnen: kies wat er op de lege plek hoort en zie meteen of het goed is. Bij een fout zie je de regel nog een keer. Liever op papier? Print een werkblad met antwoordblad.
De regel
Een korte klank schrijf je met één klinker: man, pen, bom. Een lange klank schrijf je in een woord van één klankgroep met twee dezelfde klinkers: maan, peen, boom. Luister goed: klinkt de a kort zoals in kat, of lang zoals in maan?
Voorbeeldwoorden
maan, man, pen, peen, tak, taak, zak, zaak, zon, zoon, boot, bot, kop, koop, raam, ram.
Tip: Zeg het woord en rek de klank uit. Maaaan kun je lang zingen, man niet. Wie de klank hoort, weet of er één of twee letters komen.
In welke groep oefen je dit?
Deze spellingcategorie komt meestal aan bod in groep 3 en 4. Daarna komt hij steeds terug in dictees en in het schrijven van teksten, dus blijf hem af en toe herhalen.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een lange en een korte klank?
Een korte klank is kort, zoals de a in kat. Een lange klank kun je uitrekken, zoals de aa in maan. In een woord van één klankgroep schrijf je een lange klank met twee letters (aa, ee, oo, uu) en een korte klank met één letter.