Oefen au of ou met korte zinnen: kies wat er op de lege plek hoort en zie meteen of het goed is. Bij een fout zie je de regel nog een keer. Liever op papier? Print een werkblad met antwoordblad.
De regel
Au en ou klinken hetzelfde. Er zijn veel minder au-woorden dan ou-woorden. Leer daarom vooral de au-woorden uit je hoofd, zoals blauw, pauw, gauw, saus, klauw, rauw, flauw en kauwen. De rest schrijf je meestal met ou.
Voorbeeldwoorden
blauw, pauw, gauw, saus, klauw, flauw, kauwen, augustus, koud, oud, goud, hout, zout, vrouw, touw, bouwen.
Tip: Maak een gekke zin met zoveel mogelijk au-woorden: ‘De blauwe pauw kauwt gauw op de flauwe saus.’ Wie die zin kent, kent de belangrijkste au-woorden.
In welke groep oefen je dit?
Deze spellingcategorie komt meestal aan bod in groep 4 en 5. Daarna komt hij steeds terug in dictees en in het schrijven van teksten, dus blijf hem af en toe herhalen.
Veelgestelde vragen
Wanneer schrijf je au en wanneer ou?
Daar is geen vaste regel voor. Het makkelijkst is de kleine groep au-woorden te leren; bij twijfel is ou de beste gok, want die komt veel vaker voor.