Oefen s of z met korte zinnen: kies wat er op de lege plek hoort en zie meteen of het goed is. Bij een fout zie je de regel nog een keer. Liever op papier? Print een werkblad met antwoordblad.
De regel
Aan het begin van een woord kan een s of een z staan, en dat moet je onthouden: soep, sok, zon, zee. Aan het eind van een woord schrijf je nooit een z, maar altijd een s: huis, roos. In het meervoud wordt die s vaak een z: huizen, rozen.
Voorbeeldwoorden
zon, zee, zand, zes, zout, zin, soep, sok, stoel, school, huis, huizen, roos, rozen, muis, muizen.
Tip: Aan het eind van een woord is het altijd s. Maak je het woord langer en hoor je een z (huizen)? Dan schrijf je in het lange woord een z.
In welke groep oefen je dit?
Deze spellingcategorie komt meestal aan bod in groep 4 en 5. Daarna komt hij steeds terug in dictees en in het schrijven van teksten, dus blijf hem af en toe herhalen.
Veelgestelde vragen
Mag een woord eindigen op een z?
Nee, in het Nederlands eindigt een woord niet op een z. Je schrijft huis, ook al wordt het meervoud huizen.