Ch of g oefenen

Oefen ch of g met korte zinnen: kies wat er op de lege plek hoort en zie meteen of het goed is. Bij een fout zie je de regel nog een keer. Liever op papier? Print een werkblad met antwoordblad.

De regel

Ch en g klinken vaak hetzelfde. De meeste woorden schrijf je met een g. Woorden met ch moet je onthouden, zoals lachen, kachel, licht en nacht. Aan het eind van een woord is -cht heel gewoon (acht, zacht), maar werkwoorden met een g in de stam krijgen -gt: hij zegt, zij vraagt.

Voorbeeldwoorden

lachen, kachel, nacht, licht, zacht, acht, goochelaar, kracht, geel, groen, gaan, vlieg, dag, zegt, vraagt, berg.

Tip: Leer de ch-woorden als groepje: lachen, kachel, goochelen, licht, nacht, acht, zacht, kracht. Kom je een ander woord tegen, dan is g meestal goed.

In welke groep oefen je dit?

Deze spellingcategorie komt meestal aan bod in groep 5 en 6. Daarna komt hij steeds terug in dictees en in het schrijven van teksten, dus blijf hem af en toe herhalen.

Veelgestelde vragen

Wanneer schrijf je ch en wanneer g?

Meestal is het g. Woorden als lachen en kachel en woorden op -cht (nacht, licht) schrijf je met ch. Werkwoordsvormen van werkwoorden met een g krijgen -gt: hij zegt (zeggen), zij vraagt (vragen).

Meer spelling oefenen